Utrecht, mijn geboortestad…

Sinds geruime tijd heb ik het idee de adressen op te zoeken waar ik de eerste jaren van mijn leven doorbracht. Maar zoals dat gaat bij overlijden, gaat er informatie verloren. Omdat ik geen familie meer heb die mij die adressen zouden kunnen geven was dat lastig. Ik wist de straatnamen nog wel vaag maar de huisnummers niet.

De kaart

De kaart

Kort geleden was ik aan het zoeken in het Amsterdam Archief . Daar kun je via internet o.a. woon- en persoonskaarten inzien mits degene, om wie het gaat, overleden was. Ik heb toen o.a. de kaart van mijn vader gedownload en daar staan de adressen op die ik zocht.

Nou wilde ik ook een kijkje nemen en foto’s maken van de adressen. Wellicht kwamen er herinneringen terug.

 

SAZU 1948

SAZU 1948

img022Ik wist dat ik geboren ben in het Stads en Academisch ziekenhuis aan de  Catharijnesingel in Utrecht.
Het woonadres was toen dus Willem Barendszstraat 58.


 

Op dinsdag 28 januari 2014 ging ik eindelijk op zoek. Lopend vanaf het CS Utrecht, met een Google route in de hand. Het was helder weer maar met een koude wind. Van die dagen dat je vaak naar de WC moet maar ja ik had een missie…
DSC_1029aDaar was ik eindelijk. Een paar foto’s maken van de straat en het huis. Het was er nog en zo te zien nog in de oorspronkelijke staat zij het netjes opgeknapt. Ook nog een foto van de achterkant want ik herinnerde me een oude foto op de waranda.
Toen ik een foto van het huis aan het maken was kwam er een dame naar buiten die streng kijkend vroeg wat ik aan het doen was. Toen ik het vertelde vond ze het wel leuk en vertelde dat de buurman van nummer 56 een boek had geschreven over de straat, ik moest hem maar eens naar vragen, dat zou hij wel leuk vinden. Ik belde aan DSC_1027– met een nog originele trekbel – hoorde ik in de verte gerinkel maar kennelijk was hij niet thuis, jammer…
Op eens herinnerde ik me dat we daar ooit brand hadden gehad. Het wasgoed aan het wasrekje dat o de kachel stond had vlam gevat. Brandweerwagen in de straat, een brand-weerman die met een bijl het glas van de tochtdeur insloeg.

Waranda's nieuw

Waranda’s nieuw

img217a

 

 

 

 

 

Nu nog naar de Van Swindenstraat, weer een stief kwartiertje lopen. Het was alles bij img217bDSC_1020elkaar een lange straat met met veel hoeken en bochten. Maar daar was het nummer 111. Hier kon ik me nog wel een paar dingen van herinneren. We waren daar 14 mei 1952 komen wonen, ik was toen drie en half. Ik herinner me dat er een soort plein was, nu is het nog al begroeid en is de straat daardoor in tweeën gedeeld.

Toen DSC_1019was het een grasveld en daar hebben we in de winter, op eerste kerstavond, ’s avonds een iglo gebouwd terwijl mijn moeder zat te wachten met lekkere hapjes…. vond ze niet leuk. Maar later bracht ze een gordijntje voor de ingang en kaarsen en mochten we toch nog een tijdje in de iglo zitten.

Zoals uit de kaart blijkt zijn we op 25 maart 1953 naar de Waalstrraat 36 ”’ in Amsterdam verhuisd…. Maar nu met de bus terug naar het CS en naar Almere.

Advertenties

Het huwelijk van de Prins van Monaco

189aIn 1958 begonnen mijn ouders café Neutraal aan de Insulindeweg in Amsterdam Oost. Er stond in het café een tv, zo’n model met een buis en een heel klein scherm. Het eerste wat we zagen was de huwelijk van de Prins van Monaco met Grace Kelly. Dat was toen een hele gebeurtenis.
Mijn vader beheerste zijn talen behoorlijk en schreef een brief met felicitaties aan het paar. Geruime tijd later kreeg hij een bedank-kaartje terug, waarvan hiernaast een afbeelding, dat ik in het koffertje vond.

SCHIMMEN UIT HET VERLEDEN…

In het koffertje zitten veel foto’s die mij aan situaties uit het verleden herinneren maar ook een aantal die me niets zeggen of waar ik vage herinnering en aan heb. Dat is vooral het geval met foto’s van familie aan vaders kant en een enkele van moeders kant. Ik zal er hierna wat plaatsen met commentaar…

Opa Van Aalst

Opa Van Aalst

Oma Van Aalst-Vervenne

Oma Van Aalst-Vervenne

“Hier links de Stamvader”, de vader van mijn vader: Johan van Aalst. Daar naast zijn moeder  Antonia Katarina Vervenne. Opa Van Aalst was werkzaam in het hotelwezen. Op enig moment werkte hij langere tijd in Parijs en daar is mijn vader geboren. Zij hebben samen een tijdlang een hotel gehad in Bennekom “De Neder Veluwe”. Uit dit huwelijk is nog een zoon geboren, ome Ton. Die kende ik redelijk, want daar ging nog wel eens in de zomervakantie logeren. Hij woonde later in Stevensweert, Limburg, gehuwd met tante Coby en ze kregen 5 kinderen.

(Stief) Opa Dekker

(Stief-) Opa Dekker

Oma Dekker-Vervenne

Oma Dekker-Vervenne

Op enig moment is het huwelijk met opa Van Aalst geëindigd, of dat door overlijden of scheiding is gebeurd weet ik niet maar oma Van Aalst is hertrouwd met Abraham Dekker, oprichter en eigenaar van en grint- en zandbagger-bedrijf in Sliedrecht. Uit dit huwelijk werd een zoon geboren die ik nooit ontmoet heb. Hij erfde het baggerbedrijf. Er was nooit een sterke, warme band tussen deze (half-) broer en mijn vader. Hij sprak mijn vader aan met “meneer”. De verhouding met zijn broer Ton was wel goed maar ze liepen de deur niet plat bij elkaar, voornamelijk door de grote afstand.

De familie Dekker hebben we met onze verloving en ons trouwen een kaart gestuurd. Beide keren kregen we van de secretaresse een gelukwens namens de heer Dekker, vergezeld van voor onze verloving een zilveren suiker en roomstelletje en voor ons trouwen een zilveren kandelaar.
Oma Dekker heeft lange tijd in Rotterdam gewoond in een woning die aan de achterkant uitkeek op de diergaarde Blijdorp. Ik ben een keer of drie mee geweest op bezoek bij oma.
Ik vond dat altijd een belevenis. We gingen dan met de trein vanaf het Amstel Sation. Het grootste deel van de reis brachten we door in de restauratie waar we aan een met wit linnen gedekte opklaptafel zaten en een uitsmijter kregen met koffie.
Ik kan me weinig herinneren van die oma. Ze had een lui ooglid, die zakte aldoor dicht waarom ze ook een bril had met een beugeltje aan het montuur om dat ooglid open te houden. Dat heb ik dan weer wel onthouden. Op een gegeven moment kon ze niet meer zelfstandig wonen en is ze verhuisd naar Limburg waar ze intrek nam in het klooster St. Joseph te Wessem. Daar kon ome Ton haar in de gaten houden. Ik ben daar één keer geweest en herinner me een vreemde, drukkende sfeer.

De verloofde van mijn Moeder

Op de foto hiernaast staat één van de verloofdes van mijn moeder. Als ze met een man op vakantie wilde moest ze met hem verloofd zijn. Ze heeft er daarom meerdere gehad. Na de vakantie werd gebruikelijk de verloving verbroken. Bij deze – van adel – gaat het verhaal dat het wat serieuzer was en door een of andere reden het over ging. Ze heeft de gouden verlovingsring door de WC gespoeld.

Tante Geertje en Ome Chris

Op deze foto staan tante Geertje – die ik ooit één keer gezien heb – en Ome Chris die een drankprobleem en losse handjes had. Ze hadden een was en strijkinrichting in de Tilanusstraat. Daar stond een grote potkachel met rond om van de gietijzeren strijkboutjes die om beurten werden gebruikt om te strijken en vervolgens weer op de kachel werden geplaatst om op te worden gewarmd. Tante Geertje, een nicht van mijn oma van moeders kant, was niet gelukkig. Ze stierf op niet al te hoge leeftijd aan een hersenbloeding.

Tante Wijntje

Dit is Tante Wijntje, de zuster van tante Geertje, tijdens een bezoek aan Nederland. Ze woonde in Engeland en was getrouwd met een vliegenier van de RAF, die in de Tweede Wereldoorlog werd neergeschoten boven Cyprus en niet meer terug kwam.
Tante Wijntje heb ik nooit ontmoet.

img174Op de foto hiernaast zit vooraan mijn vader. Van de mensen achter hem komt niemand mij bekend voor.
De strepen op de foto zijn het gevolg van de afstempeling van de postzegel. Op de achterkant staat o.a.:
Aan de jonge heer Jo van Aalst en Paaschtocht Bennekom.

MIJN OPA DE KLEERMAKER

Afbeelding

Opa Post in z’n atelier.
————–

97426c01-c180-ac5b-274c-64cb98269234

Pagina uit het geboorteregister van St. Annaparochie met ouders en broers en zusters.
———

Ik heb mijn opa nooit anders gekend als kleermaker. Hij heette Tjeerd en we mochten hem geen opa noemen maar pa. Opa vond hij waarschijnlijk te ouwelijk of hij vond één naam genoeg, zijn kinderen noemden hem ook pa.
De foto hierboven is de enige die ik kon vinden waarop hij in zijn werkplaats aan ’t werk was.
Mijn opa en oma woonden in de laatste periode van hun leven in de tweede Helmersstraat op nummer 38. Een huis met belétage en een grote tuin met diverse schuren. In één van die schuren had mijn opa zijn werkplaats.
Hij werkte in dienstverband bij de kleermakerij van Hart aan één van de grachten in Amsterdam. Daar heeft hij lang gewerkt. Daarnaast nam hij in privé klussen aan.
De firma Hart werkte ook voor het koninklijk huis. Ze waren daar zuinig. In die tijd werden nog jassen, manchetten e.d. gekeerd zodat ze na verslijten nog langere tijd mee konden. Ook vertelde mijn opa dat hij heeft gewerkt aan een opdracht voor het maken van reismanteltjes voor de prinsesjes die moesten worden gemaakt van oude reisdekens. Hij was trouwens ook zuinig. Hij heeft ooit een huisjasje voor zichzelf gemaakt waarbij de voering bestond uit tientallen kleine restje voeringstof die hij aan elkaar had genaaid.
Het gewone werk bij de kleermakerij was voornamelijk het maken van maatpakken (voor prijzen waarvan ik toen duizelde).
Zijn werkweek zag er ongeveer als volgt uit. Van maandag t/m zaterdag om zes uur op, kliekje van de vorige dag opwarmen en op de fiets naar het werk. Ook toen ze langere tijd in Zandvoort woonden. Hij begon om acht uur en werkte tot zes uur ’s avonds, behalve zaterdag, dat was toen nog een halve dag. Thuis gekomen eten, even de ogen sluiten en de schuur in voor zijn privéopdrachten. Rond acht uur kwam hij even de schuur uit voor koffie en het journaal. En rond half tien even een borreltje.
In het weekend natuurlijk alleen het privéwerk en was er tijd voor Hilterman en wat boodschappen.
In het weekend was ik altijd bij mijn opa en oma omdat mijn ouders het te druk hadden met het café.
Zaterdagavond op de divan tv kijken waarbij het buurmeisje me vaak gezelschap hield. Ik sliep ook op die divan en herinner me nog de geluiden van het tikken en slaan van de klok, vaak op zaterdagavond het Leger des Heils en de man op z’n bakfiets met berliner bollen: “Bèrlieienerrrr bolleuh..!”
Zondags hielp ik vaak mijn opa in de schuur. Daar had hij een werkbank gemaakt waarop hij dan -ouderwets in kleermakerszit – zat het handwerk te doen. Het andere naaiwerk deed hij op z’n Singer trapnaaimachine. Ik hielp hem dan met het uithalen van rijgdraad of het aanzetten van knopen. Dat heb ik nog op de ouderwetse manier geleerd. Met een dubbel gedraaide draad ijzergaren, ingesmeerd met was en dan met een lucifer ertussen aanzetten. Je scheurde eerder de stof dan dat de knoop losliet. Een enkele keer ging ik bij hem achterop naar het Vondelpark, de eendjes voeren.
Mijn opa maakte hele maatpakken in alle maten met behulp één patroon van krantenpapier die hij opgevouwen bewaarde in een sigarendoosje.
Het persen van de pakken gebeurde met een grote persbout die warm werd gehouden op een oliestel en met perslappen die hij natmaakte in een emmer water die altijd in de schuur stond. Hij had daar ook nog perskussens. Het oliestel was gelijk ook de enige verwarming in de winter.
Sommig naaiwerk besteedde hij uit. Hij had ergens in de buurt een naaister die wat van die klusjes voor hem deed. Dan ging ik wel eens mee achter op de fiets terwijl mijn opa het naaiwerk in een grote zwarte lap had zitten die was met spelden was dichtgemaakt. Het was een aardig mens die naaister. Ik heb mijn oma wel eens ruzie horen maken met mijn opa waarbij de naam van de naaister viel. Dus of het naaiwerk dat in de zwarte lap zat het enige was wat ze voor mijn opa deed weet ik niet. Ik heb tussen de foto’s in het koffertje een fotootje gevonden die niet verder kon thuisbrengen en waarvan ik me herinner dat dat best de naaister zou kunnen zijn.

Afbeelding

HET ONFORTUINLIJKE LEVEN VAN MIJN NEEF GERARD

img161Dat vrolijke ventje in de wastobbe is mijn neef Gerard Tjeerd Post, de zoon van mijn moeders broer, ome Klaas. Hij was ongeveer een jaar ouder dan ik. Zijn ouders hebben veel moeite moeten doen om een kind te krijgen. Wellicht daarom of om het feit dat mijn oom tandtechnieker was en zich daarom tot de notabelen van het dorp rekende, lagen de verwachtingen hoog.
Gerardje, zoals hij in aanvang werd genoemd, was een vrolijke goedzak.
Maar, het ging al vroeg mis, Gerardje was een bedplasser en bleef dat tot ongeveer zijn veertiende. Dat was toch wel een smet op het blazoen van oom Klaas. Dat moest hem snel worden afgeleerd. Alle pedagogische hulpmiddelen werden van stal gehaald. Wanneer Gerard in bed had geplast, werden de lakens, met plasvlekken en al, aan de waslijn gehangen zodat een ieder daar kennis van kon nemen. Dat zou hem wel op andere gedachten brengen. Helaas… Dus greep ome Klaas naar een andere methode deze keer een positieve stimulans. Gerard kreeg een horloge dat hij om mocht als hij “droog” was. Maar ome Klaas zorgde er wel voor dat iedereen van de situatie wist… Het knaagde aan Gerard maar op het laatst kreeg hij wel eelt op z’n ziel.
In die tijd was het zo dat neefjes en nichtjes in de zomervakantie werden “uitgeruild”. Over en weer brachten we een paar weken vakantie door bij ooms en tantes. Zo ook Gerard die vaak een paar weken in de vakantie bij ons logeerde.
Bij ons plaste hij ook in z’n bed en bleef toen lang liggen tot mijn moeder vroeg wat er was. Ze zei dat hij de lakens in de wasmachine moest gooien en verder niet moest zeuren. Hij was opgelucht en wilde steeds vaker logeren bij tante Fientje. Je zag ‘m opbloeien.

De volgende teleurstelling voor ome Klaas was het feit dat Gerard niet zo goed kon leren. En ja, als zoon van een notabele kon dat niet. Hij zat op de Mulo, heel lang… Als notabele lukte het ome Klaas telkens weer dat Gerard nog een jaar mocht overdoen. Extra bijles, weekenden en vakanties leren. Als ik het goed heb is hij na zeven jaar – zonder diploma – van school gegaan.

Vervolgens moest hij toch een ordentelijk vak leren. Hij moest dus tandtechnieker worden. Dat vak zou ome Klaas ‘m wel bijbrengen. Maar daar had Gerard geen aanleg voor. Hij was “te stom om voor de duvel te dansen” volgens ome Klaas en ruzie op ruzie volgde in de “opleiding”. Uiteindelijk gooide ome Klaas de handdoek in de ring en moest Gerard ’t zelf maar uitzoeken.

En dat deed hij. Hij haalde zijn rijbewijs en ook het groot-rijbewijs en solliciteerde bij Brabantsche Buurtspoorwegen en Autodiensten (BBA). Hij werd buschauffeur en daar voelde hij zich zo ongeveer voor het eerst gewaardeerd. Hij was actief in de vakbond en de collega’s liepen met hem weg. Voor ome Klaas was het maar tweede of derde keus en liet dat ook op gepaste tijden merken.

In die tijd leerde Gerard Gré kennen (voor ons Greet), een schat van een mens en ze betekende de wereld voor Gerard. Maar ze was niet bijzonder knap en doof. Dat paste ook niet in het wereldbeeld van ome Klaas, hetgeen ook weer tot spanningen leidde. Intussen was Gerard van werk veranderd, hij reed nu in een touringcar op het buitenland, meestal Spanje. Behoorlijk verantwoordelijk werk dunkt me en het verdiende goed. Maar de spanningen bleven.
Gerard was intussen volwassen en nam niet meer alles. Toen hij aankondigde te willen trouwen liepen de spanningen zo hoog op dat hij het huis uit ging. Ik herinner me letterlijk wat hij toen zei: “Al moet ik het gras tussen de straatstenen uit eten, ik kom niet meer bij jullie terug”. Voor de goede orde moet ik zegen dat zijn moeder, tante Annie, een minder aandeel had in de situatie, zei was een volgzame vrouw die volledig voerde op het kompas van haar man. Tegenwoordig zouden we haar kwalificeren als een sloofje. Ze stond altijd klaar en ome Klaas hoefde maar met de vingers te knippen of tante Annie deed wat er van haar verwacht werd. Ik had het idee dat ze ook leed onder de situatie maar niet in staat was er iets aan te doen.

Gerard en Greet wilden kinderen. Stiekem hoopte Gerard op een zoon maar dat mocht niet zo zijn, na drie meisjes hield hij het voor gezien en zei dat “Das Dreimäderlhaus” voltooid was en hij was gelukkig met z’n Greet en z’n drie dochters Renate, Simone en Erica.
We zagen elkaar niet veel, een paar maal per jaar meestal op hoogtijdagen, hij woonde in Woudrichem en ik in Amsterdam.
Op 2 oktober 1993 kregen we bericht dat Gerard was overleden. ’s Morgens kreeg hij hevige hoofdpijn, werd uiteindelijk naar het ziekenhuis gebracht en overleed daar als gevolg van een hersenbloeding. Hij was toen 46 jaar.
Op 6 oktober 1993 was de uitvaart en hebben we afscheid genomen in het Crematorium Daelwijck in Utrecht. Op de rouwkaart stond: Geen bloemen. Geen toespraken.
Greet bleef achter met drie dochters. We sturen elkaar elk jaar een kerstkaart…

MIJN VADER EN HET AMERICAIN

De man die je voor het terras ziet staan is mijn vader. Hij heeft heel lang gewerkt in de receptie van het Americain. Hij had daarover wel anekdotes.

Op een dag kwam dhr. Luns als gast in het Americain, toen minister van Buitenlandse Zaken. Toen mijn vader vroeg: “Mijnheer mag ik uw jas aannemen” antwoorde Luns”: “Excellentie hè…” waarop mijn vader ondoordacht antwoordde “Bent u geen heer…?”. Dit heeft hem bijna zijn baan gekost.

Een andere anekdote speelde in de tweede wereldoorlog.
In het Americain waren veel Duitse officieren gelegerd die veel feestten in de bar en het restaurant. In de garderobe haalde mijn vader regelmatig voedselbonnen uit de jassen van die officieren die hij aan de familie en buren uitdeelde. Hij werd op een dag betrapt en naar kamp Vught getransporteerd. Omdat de officieren klaagden over de service heeft een leidinggevende van mijn vader aangegeven dat dat kwam omdat personeel was opgepakt. Daarom kwam mijn vader na enige tijd weer vrij en kon – zij het behoorlijk mishandeld – weer naar huis en aan het werk. Of hij daarna nog voedselbonnen toe eigende vertelt het verhaal niet…

Americain

ONGELUK EN ONDERTROUW

In dat koffertje trof ik een oud krantenknipsel van een Brabantse lokale krant waar het volgende verhaal aan vast zit.
Mijn vader had al ver voor de oorlog een auto waarmee hij stad en land afreed. Zoals op de foto tijdens een vakantie met mijn moeder in hun verlovingstijd.
Op enig moment – toen ze in ondertrouw waren – reden ze in Brabant op een dijk op weg naar de broer van mijn moeder die in Gorinchem woonde. Het had geijzeld en mijn vader verloor de macht over het stuur. De auto reed van de dijk af en kwam sloeg over de kop en kwam onder aan de dijk op de wielen terecht. Mijn vader en zijn schoonzuster die mee reed kwamen er redelijk goed af. Mijn moeder echter had – na later bleek – een schedelbasisfractuur.
Het huwelijk kan niet doorgaan op de geplande datum en werd maanden uitgesteld. Mijn moeder lag lange tijd in het ziekenhuis en mijn vader kon in z’n eentje het inmiddels gehuurde huis opknappen en inrichten. Het huwelijk ging met uitstel wel door.
De auto werd gerepareerd en verkocht en mijn vader heeft nooit meer auto gereden. Kennelijk is dat overerfelijk: ik heb tot op heden nog geen rijbewijs….

img006 img007a img007